Mijn relatie met de Qur’ān

Titel les: Mijn relatie met de Qur’an

• First things first – al het noodzakelijke als eerste zowel sociaal als spiritueel
• Orde en netheid in je huis
• Fysieke en spirituele reinheid
• Discipline
• Juiste mindset
• Verloren tijd op je tablet/smartphone
• Keuzes maken: reciteren- , overpeinzen- of memoriseren van de Qur’an?
• Hoeveel pagina’s zou je moeten lezen per dag?
• Timemanagement en leesschema’s
• Waarom wil je dit? Zuivere intentie

De edele Qur’ān bevat kennis van het eerste en het laatste

‘Allāmah Zarkashī (1392 CE/794 AH) zei in al-Burhān (fi ʻulūm al-Qur’ān):

“De edele Qur’ān bevat kennis van het eerste en het laatste en er is niets dat er niet uit afgeleid kan worden voor degene aan wie Allāh onderscheidend vermogen geeft. Eén van hen ontdekte zelfs een verwijzing naar de levensduur van de Profeet ﷺ – van drieënzestig jaar in Allāh’s Woord in Sūrah al-Munāfiqūn: [‘En Allāh verleent geen ziel uitstel wanneer haar tijdstip is aangebroken.’ (63:11)] omdat deze zich aan het einde van het drieënzestigste hoofdstuk bevindt.”
_______________
Imam ‘Abdullah Sirajuddin al-Huseyni, Onze Meester Mohammed, de Boodschapper van Allah, Deel 1, vertaald door Harun Verstaen (Uitgeverij De Pons, eerste uitgave, Juni 2013), Hoofdstuk III: Zijn Verheven Status, pp. 136.

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Zelfs voor de grap angst aanjagen

Overgeleverd door ‘Abd l-Rahmān bin Abī Laylā (r.a): De profeet van Allāh ﷺ zei: “Het is niet halal voor een Muslim om een Muslim bang te maken.”

Abu Dawud én Sahīh Ibn Hibbān

Deze hadīth is door Muḥammad Jalāl al-Dīn al-Suyūṭī (d. 911) opgenomen in zijn hadīthcompilatie ‘Al-Jāmi‘ al-Ṣaghīr’. In de 11de eeuw heeft de Egyptische geleerde Shaykh ‘Abd al-Ra‘ūf Muḥammad al-Munāwī (d. 1031) de hadīthcompilatie van al-Suyūṭī voorzien van exegese (Sharḥ). Deze Sharḥ-studie van al-Munāwī is bekend onder de titel ‘Fayd al-Qadīr’.

In deze Sharḥ nuanceert al-Munāwī deze hadīth en gaat verder in op de reikwijdte en diepte van het werkwoord term [rawwa’a] nader uit als:

Het angst aanjagen ook al is de [intentie] om het voor de grap te doen/of iemand voor de gek te houden zoals:
1. Het zwaaien of wijzen met een zwaard
2. Of met een ijzeren object
3. Of een slang
4. Of goederen die aan iemand anders toe behoren, af te pakken met als doel de eigenaar ‘het gevoel’ te geven dat hij zijn bezittingen kwijt of verloren is. [Rekening houdend] met de feit dat en een risico bestaat dat er schade kan worden toegebracht aan de goederen.

Shaykh al-Munāwī verwijst tevens naar twee overleveringen. De eerste overlevering heeft betrekking op de plicht onderling de verbale én non-verbale veiligheid te waarborgen. De Muslim is diegene door wiens tong en hand de [overige] Muslims zijn veiliggesteld.

In de tweede overlevering wordt een voorbeeld uit de praktijk gehaald waaruit onomstotelijk blijkt dat het angst aanjagen niet is toegestaan, ook al is het onschuldig bedoeld. Deze gebeurtenis is tevens de aanleiding geweest voor de Profeetﷺ om te zeggen: “Het is niet halal voor een Muslim om een Muslim bang te maken.”

Er is overgeleverd door een groep van de Sahābah (r.a) liepen samen met de Profeetﷺ én [onderweg] viel er een man [uit de groep] van hen in slaap. Dus een van hen ging weg om een touw te zoeken én pakte het vervolgens met zich én zaaide daarmee angst bij hem [de slapende]. Vervolgens verkondigde Boodschapper van Allāh ﷺ het [d.w.z. de hadīth].

Een muslim dient een persoon te zijn, waarvan mensen verbaal én non-verbaal kunnen vertrouwen. Andere muslims moeten hem/haar met handelingen en uitspraken kunnen vertrouwen dat er aan hen geen schade toebrengt.
De karakter van de muslim – namelijk het waarborgen van de innerlijke en uiterlijke veiligheid- raakt in het geding. Daarom wordt het ook niet op prijs gesteld wanneer men, ook al is het voor de grap, mensen bang maakt of zelfs hun voorliegt door heb te enthousiasmeren voor iets wat er feitelijk niet is ook wel blij maken met een dode mus.
De Boodschapper van Allāh ﷺ heeft dit niet slechts ongewenst gevonden, maar verboden voor de moslim!

Shaykh ‘Abd al-Ra‘ūf Muḥammad al-Munāwī | Fayd al-Qadīr | Vol 6| Dār ul-Kitāb al-Ilmīyyah| Beiroet: 2001| pg. 550.

https://m.facebook.com/story.php?story_fbid=633588930501040&id=230002024193068