Yā Nafsī, mijn trouwe alibi

Ik ken je nu toch al mijn hele leven yā Nafsī;
Veel gelachen en gehuild, mijn trouwe alibi.

Verlangd naar jou en jij nog steeds naar mij;
Je verloor me nooit uit het oog, zo zij aan zij.

Moment van afscheid nemen doet zo’n pijn;
Ik heb geen keus, de tijd met jou was zo fijn.

Intens gevoel dat je steeds mijn makker was;
Maar tegelijkertijd bedroog je me bij elke pas.

Telkens als mijn hart neigde naar zuiverheid;
Deed je dit chronisch voordoen als bitterheid.

En in jouw hinderlaag liep van verdorvenheid;
Vervolgens mij verleidde bij elke gelegenheid.

Hoe heeft het nu toch zo ver kunnen komen?
En mijn strijd met jou nu niet kan voorkomen?

Ik had nooit gedacht dat sinds het begin destijds;
Dit zou leiden naar een dagelijkse strijd, enerzijds.

Want werkelijk ik sterf elke dag weer in Shahīd.
En de strijd gaat maar verder met enorme speed.

Soms bereik ik die piek van overwinning en terwijl;
Ik neerkijk met een hart vol Īmān en m’n strijdbijl.

Meestal eindig ik toch onderaan in dat massagraf;
Besmeurd door mijn toenmalige makker achteraf.

Yā Nafsī, Nafsī ik ken je nu toch al mijn hele leven;
Mijn alibi, had ik je destijds maar eerder bestreden.
_____________________
De ziel en de maan, een traktaat op het pad van de zoeker, eerste druk © 2019 Zakariya Bosmans [Aparte reminder: Yā Nafsī, dichtregels 167-176, pp. 36]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: