Taṣawwuf Artikel 3: Transitie naar Ṭarīqah

In de naam van Allāh, de Erbarmer, de Meest Barmhartige. Alle lof komt uitsluitend toe aan Allāh de Verhevene, Die eveneens in de Koran zegt: “Alle Lof behoort toe aan Allāh, Die aan Zijn dienaar het Boek (al-Qur’ān) heeft neergezonden en daarin geen afwijking heeft aangebracht.” O Allāh, zend zegenbeden aan de profeet Mohammed, zijn echtgenotes – de moeders der gelovigen, zijn nakomelingen, en zijn familieleden, zoals U zegenbeden hebt gezonden aan de familieleden van Abraham, want U bent waarlijk de Prijzenswaardige, de Majestueuze. O onze Heer, accepteer (deze daad) van ons. Waarlijk, U bent de Alhorende, de Alwetende.

Ontwikkeling van Taṣawwuf in de Pre-Ṭarīqah periode (8ste tot 10de eeuw CE)

 Het vroege Taṣawwuf in de pre-Ṭarīqah periode was geen Soefisme met uitbundige Dhikr en het oplezen van Awrād (enkelvoud: Wird) zoals we dit de dag van vandaag kennen. Wird is een compilatie van Verzen uit de Koran met Du’ā`-formules uit de Sunnah die in een specifieke volgorde dagelijks wordt opgelezen. Tot aan de 9de eeuw lag de focus voornamelijk op het concept Zuhd (ascese). Az-Zuhd is zoals Ibn al Qayyim (gest. 1350 CE) zei (o.a. in zijn werk: Madārij as-Sālikīn): “Het tegenovergestelde van verlangen en zorgen maken om de Dunya (het wereldse leven).” Verder zei Ibn al Qayyim, “Az-Zuhd in de Arabische taal, houdt in het verlaten van een zaak terwijl je het veracht en terwijl je de inhoud kleineert, zodat eenieder het zal verruilen voor iets wat belangrijker is.” De Islamitische voorouders die goede voorbeelden hebben gesteld in hoe we de Islam moeten praktiseren, hadden verschillende meningen wat betreft az-Zuhd. Ibn al Qayyim zei bijvoorbeeld ook: ”Ik hoorde Shaykh al-Islām ibn Taymiyyah (gest. 1328 CE) zeggen: “Az-Zuhd houdt in, het verlaten van wat je geen voordeel brengt in het hiernamaals. Al-Warā’ (een deel van het toegestane verlaten uit angst om in het verbodene te vallen) beval het verlaten van waarvan hetgeen jij de consequenties vreest in het hiernamaals.’” Toen gaf Ibn al-Qayyim hier commentaar op, zeggende: “Deze uitspraak is een van de beste en nauwkeurige definities van az-Zuhd en al-Warā’.” Sufyān ath-Thawry (gest. 778 CE) zei: ”az-Zuhd in deze Dunya bevat weinig hoop hebben (of hoop vermijden dat iemand lang zal leven) en niet door alleen armoedige kleding te dragen.”

Az-Zuhd was de eerste level van ontwikkeling van Taṣawwuf. Het concept Soefisme was destijds alleen bekend als az-Zuhd. De Zāhid (meervoud: Zuhhād) was degene die zo’n levensstijl had. De Zuhhād hielden zich slechts bezig met het hiernamaals, weinig eten, weinig praten en weinig slapen. Ze aten zo weinig dat velen 1x per maand maar hun grote behoefte deden (toiletbezoek). We hebben het hier over de Tābi’īn en de Tābi’ū at-Tābi’īn fase in de zogenaamde pre-Ṭarīqah periode 9de eeuw CE. De Zuhhād in deze tijd waren zeer strikt in het volgen van de Koran en de Sunnah en werden volledig geaccepteerd door de grote geleerden uit die tijd. Aḥmad bin Ḥanbal (gest. 855 CE) had bijvoorbeeld veel lof voor hen. Enkele bekende van de Zuhhād waren: Abū Isḥāq ibn Ibrāhīm (gest. 777 CE), Shaqīq al-Balkhi (gest. 810 CE), Ḥārith al-Muḥāsibi (gest. 857 CE), Dhū al-Nūn al-Miṣrī (gest. 862 CE), Abū Yazīd al-Bisṭāmī (of al-Basṭāmī) (gest. 848 CE), Abū al-Qāsim al-Junayd al-Baghḍādi (gest. 910 CE), al-Fuḍayl ibn ‘Iyāḍ (gest. 803 CE), hij was student van Abū Ḥanīfah, ʿAbd Allāh ibn al-Mubārak (gest. 797 CE), hij ook was een student van Abū Ḥanīfah.

Een tijd later brak de tweede level van ontwikkeling van Taṣawwuf aan en dit was het concept Ḥubb (liefde). Dit speelde zich af in de tijd van Rābi’ah al-ʿAdwiyah in Baṣrā (gest. 801 CE). Vanaf hier was er geen focus meer op de Zuhd, maar Ḥubb. Dit was een hele belangrijke fase voor de ontwikkeling van de Ṭarīqah’s. De focus was nu dat Allah werd aanbeden omdat Hij Allah is en niet meer vanwege de beloning van het Paradijs of de bestraffing van de Hel. Dit was pure liefde voor Allah en dit was ook bekend in de Sunnah van de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten. Dit was overigens ook goed te zien bij geleerden zoals Imām Mālik (gest. 795 CE) en Imām Abū Ḥanīfah (gest. 767 CE), zij droegen mooie kleding en zagen er niet uit alsof zij afstand hadden genomen van het wereldse. Je had dus vrome devoten die de focus legden op Zuhd en anderen op Ḥubb voor Allah. En er waren die Ḥubb voor de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten – hadden en dit ging uiten middels uitbundige Ṣalawāt (vredes en zegenbeden). In deze fase bloeide ook de Perzische en Arabische poëzie op in Baṣrā. In het begin werden de concepten zoals Ḥubb algemeen opgeschreven en later veelal in poëzievorm.

Rond de 10de en 11de eeuw CE werd er veel geschreven over het onderwerp Taṣawwuf om de wetenschap te verdedigen. De eerste die de Taṣawwuf formaliseerde (een vaste vorm gaf) als wetenschap was Imām Abū-l-Qāsim al-Junayd al-Baghḍādi (835-910 CE). Vele Ṭarīqah’s vinden dan ook hun weg ook terug naar hem qua wetenschap. Hij was een centraal figuur in de spirituele afstamming van veel Soefi-ordes. Ḥārith al-Muḥāsibi (gest. 857 CE) schreef het werk: Ādāb an-Nufūs (de etiquette/goede zeden van de zielen). Abū Naṣr ‘Abd Allāh ibn ‘Alī al-Sarrāj (gest. 988 CE) schreef het werk: Kitāb al-luma’ fī at-Taṣawwuf (Het boek van de luisterrijke schittering over Soefisme). De Ḥadīth- en Shāfi’i-geleerde Abū Ṭālib al-Makki (gest. 996 CE) schreef een invloedwerk genaamd: Qut al-Qulūb (de verzorging van de harten). Dit werk had later een enorme invloed op het werk van Imām Abū Ḥāmid al-Ghazālī (gest. 1111 CE), die uiteindelijk de Taṣawwuf populariseerde. Dit zijn slechts een aantal die ik hier opnoem.

Er waren ook die schreven over de geschiedenis zoals Abū ʿAbd ar-Raḥmān as-Sulamī (gest. 1021 CE) en zijn werk, een hagiografie: Ṭabaqāt aṣ-Ṣūfiyyah (De toplagen van het Soefisme). ‘Abd al-Karīm al-Qushayrī al-Naysābūrī (gest. 1073 CE) schreef zijn bekende werk: ar-Risālah al-Qushayriyyah fī ‘ilm at-Taṣawwuf (De epistel van al-Qushayrī over de wetenschap van Taṣawwuf) ter verdediging tegen de corruptie ervan. Er waren in zijn tijd vele die Soefi waren, maar bijvoorbeeld niet deden bidden. Dus de essentie van de werkelijke inspanning van Taṣawwuf zette hij op papier. Hij verdedigde hiermee dat Taṣawwuf niet alleen iets uiterlijks was, maar juist iets innerlijks met de inachtneming van verplichte de daden van aanbidding.

Aparte notitie: Dit fenomeen zie je de dag van vandaag ook terug bij moderne Soefie-bewegingen. Er zijn er die Soefie zijn, maar niet moslim? Dit soort groeperingen houden spirituele en mystieke bijeenkomsten, intensieve spirituele oefeningen in de ochtend en avond, maar bidden niet of enig andere Islamitische daden van aanbidding. Dit zijn uiteraard geen moslims en hebben niets te maken met de Ṭarīqah’s die ik hier behandel.

Terug naar al-Qushayrī, eind 10de begin 11de eeuw:

In deze fase waren de moslims algemeen in hun daden van aanbidding en het Soefisme was apart. De liefde voor het wereldse had toegenomen en de Soefi’s spraken in een taal die niemand meer begreep. Een taal van illusies. Het was opeens niet meer voor iedereen weggelegd. In die tijd had je nog niet de formele Shaykh-student-relatie m.b.t. Taṣawwuf. Er waren nog geen zogenaamde Ṭarīqah’s. Wat gebeurde is dat vanaf hier Imām Abū Ḥāmid al-Ghazālī (gest. 1111 CE) de koers voor de wetenschap van Taṣawwuf veranderde. Hij was in feite niet geboren of opgegroeid in een Soefi-omgeving, maar populariseerde later wel in zijn leven deze wetenschap op grote schaal. [Vanwege de beknoptheid van het artikel ga ik zijn leven nu niet helemaal behandelen] Zijn leven was in ieder geval zeer merkwaardig met een heel apart en bijzonder verhaal. Zijn werken werden door zijn tijdgenoten zo geprezen dat hij de eretitel kreeg: Ḥujjatul-Islām (Het bewijs van de Islam). Hij werd ook een Mujaddid genoemd (hersteller van het geloof). Hij volgde de Shāfi’i school qua jurisprudentie en Ash’ari qua geloofsleer. Imām al-Ghazālī geloofde dat de islamitische spirituele traditie stervende was en dat de spirituele wetenschappen die door de eerste generatie moslims waren onderwezen, vergeten waren. Dit resulteerde in het schrijven van zijn magnum opus genaamd: Iḥyā` ‘ulūm al-Dīn (De herleving van de wetenschappen van de religie). Het werk bestaat uit vier delen met elk tien hoofdstukken. Het  behandeld de doctrines en praktijken van de islam en laat zien hoe deze de basis vormen van een diepgaand devotioneel leven, dat leidt naar hogere stadia van het soefisme. Hij brengt de boodschap om Allah te aanbidden in een stijl dat mensen goed kunnen begrijpen. Zijn schrijfstijl is helder, met vele bijzondere voorbeelden. Zijn grote prestatie was om de orthodoxe soennitische theologie en het Soefisme samen te brengen op een bruikbare, begrijpelijke manier om elk aspect van het islamitische leven en de dood te begeleiden. Hij populariseerde de Tasawwuf met een grote klap en met maakte het tot een officiële wetenschap.

Hoewel Imām al-Ghazālī een geleerde was, was hij geen expert op het gebied van de Ḥadīth en kreeg hij veel kritiek vanwege de zwakke Aḥādith die hij aanhaalde in dat werk. Dit was omdat hij pas op een later tijdstip Ḥadīth had bestudeerd na het schrijven van de Iḥyā`. Dus werden de Ḥadīth-verzamelingen in zijn boek nauwkeurig onderzocht. Ḥadīth-experts zoals ʿAbd ar-Raḥmān al-Jawzi (gest. 1200 CE – niet te verwarren met Ibn al-Qayyim) en anderen hebben de overleveringen in het werk onderzocht en gesorteerd op basis van hun authenticiteit. Ibn al-Jawzi schreef toen de Minhāj al-Qāṣidīn (De weg naar het Hiernamaals) en is in feite een versie van de Iḥyā` zonder zwakke Aḥādith. Later is hier een Mukhtaṣar (verkorte versie) van geschreven door Ibn Qudāmah al-Maqdīsī (gest. 1223 CE). Zowel de Iḥyā` ‘ulūm al-Dīn (ondanks de zwakke overleveringen) als de Minhāj al-Qāṣidīn en Mukhtaṣar zijn hele belangrijke werken. Alleen zover als ik weet is de Minhāj al-Qāṣidīn van Ibn al-Jawzi verloren gegaan. De Iḥyā` en de Mukhtaṣar zijn wel beschikbaar en zelfs vertaald naar het Engels.

Mukhtaṣar (Minhāj al-Qāṣidīn) van Ibn Qudāmah al-Maqdīsī : https://ia800801.us.archive.org/0/items/eng_mukhtasar_minhaj_al-qasidin/eng_mukhtasar_minhaj_al-qasidin.pdf

Vanaf de 12de eeuw was Taṣawwuf enorm populair. Mensen spitsten zich massaal toe op de daden van aanbidding naar Allah en het zuiveren van hun harten en karakters middels de leer van Taṣawwuf. Het was trouwens in deze eeuw dat de eerste werkelijke Ṭarīqah is gesticht en zal ik verderop meer over vertellen als ik het ga hebben over de verschillende scholen in de Islam. En uiteindelijk behandel ik alleen de officiële en erkende Sunni Ṭarīqah’s.

In de 13de eeuw ontstond er bij sommigen m.b.t. Taṣawwuf extreme ideeën die niet goed begrepen werden. Sommigen verloren zichzelf in de leer van Taṣawwuf met veel discutabele onderwerpen. Deze periode was ook de opkomst van algemene wijsbegeerte, Theosofie en Soefi-filosofie met onderwerpen zoals Waḥdatu al-Wujūd (doctrine van: eenheid van het bestaan/eenheid van het zijn). Er ontstond veel controversie rondom de Soefie-geleerde Muḥyī al-Dīn Ibn al-‘Arabī (gest. 1240 CE) die mogelijkerwijs deze term (Waḥdatu al-Wujūd) ook gebruikte in zijn werken en andere zaken die afkeurenswaardig waren. Hij stond ook bekend om het openlijk verkondigen van zijn Karāmāt (wonderen) en kreeg veel kritiek. Er bestaat een brede overeenstemming onder Ibn ‘Arabī-specialisten dat hij de term Waḥdatu al-Wujūd in zijn eigen geschriften niet heeft gebruikt en dat deze later zijn toegevoegd aan zijn werk door anderen. Dat wil zeggen dat hij deze uitdrukking dus niet in zijn soefi-filosofische doctrine heeft gebruikt. Buiten het kritiek dat Ibn al-‘Arabī kreeg op zijn extreme opvattingen of zaken (die misschien ook wel verkeerd begrepen zijn door velen, vanwege het niveauverschil in mystiek en spirituele ontwikkeling) was hij een zee van kennis. Zijn stijl van schrijven over spiritualiteit was fenomenaal en het inzicht dat hij had m.b.t. tot de aanbidding naar Allah was op z’n minst opmerkelijk. Deze Soefie-geleerde moet overigens niet verward worden met zijn naamgenoot: Qāḍī Abū Bakr ibn al-‘Arabi (gest. 1148 CE) de Māliki geleerde uit Andalusië die overigens ook een student was van Imām al-Ghazālī.

Scholen in de Islam

In de Islamitische geschiedenis zien we heel duidelijk dat er diversen scholen zijn ontstaan. Scholen van wetgeving/jurisprudentie (al-Madhāhib al-‘Amaliyyah/al-Fiqhiyyah) die betrekking hebben op de religieuze jurisprudentie gebaseerd op de Koran en Sunnah. De Scholen van geloofsleer (al-Madhāhib al-I’tiqādiyyah) waarmee mensen de Koran en Sunnah volgen. Het betreft hier uitsluitend de leer over ‘Aqīdah. En zo ook op een later tijdstip de scholen van Taṣawwuf (al-Ṭuruq/al-Madāris aṣ-Ṣūfiyyah), die betrekking hebben op de spirituele leer van Iḥsān gebaseerd op de Koran en Sunnah.

Extra notitie: buiten deze scholen van de Islam ontstonden bijvoorbeeld ook scholen van Arabische grammatica, zoals de Kūfā- en de Baṣrā-school die zo nu en dan meningsverschillen hadden over grammaticale kwesties of de etymologie van specifieke woorden, die besproken werden tijdens bijeenkomsten en een debat.

Scholen van jurisprudentie

 Eind 8ste en begin 9de eeuw ontstonden de vier prominente scholen van jurisprudentie: de Ḥanafītische school van Abū Ḥanīfah (gest. 767 CE), de Mālikītische school van Mālik bin Anas (gest. 795 CE), de Shāfi’ītische school van Muḥammad bin Idrīs ash-Shāfi’i (gest. 820 CE) en de Ḥanbalitische school van Aḥmed bin Ḥanbal (gest. 855 CE). Er zijn nog een paar andere wetscholen die het enigszins hebben overleefd en op kleine schaal nog gevolgd worden, maar is nu niet van belang om dit nader toe te lichten.

 Scholen van geloofsleer

En in de 10de eeuw de prominente scholen van geloofsleer ofwel theologische scholen: De Ash’ari school gesticht door theoloog Abū al-Ḥasan al-Ash’ari (gest. 936 CE), hij is een afstammeling van Abū Mūsā al-Ash’ari (gest. 672 CE), de beroemde metgezel (Ṣahābi) van de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten. En dan hebben de Māturīdische school gesticht door Abū Mansūr as-Samarqandi al-Māturīdi al-Ḥanafī (gest. 944 CE). Deze laatste twee scholen zijn nagenoeg identiek aan elkaar qua theologische opvattingen en redenering. En dan heb je Atharī school, dit is de geloofsleerschool die uitgaat van tekstuele bewijzen en letterlijke interpretatie van de Koran en geven geen of weinig voorkeur aan het theologische redeneren. Deze school vindt zijn weg terug naar de geleerde Aḥmad bin Ḥanbal (gest. 855 CE).

Scholen van Taṣawwuf

Een school van Taṣawwuf staat beter bekend als Ṭarīqah. Taalkundig betekend Ṭarīqah: een manier, wijze, procedure, werkwijze, methode, procedé, behandeling. Het wordt ook vertaald als: religieuze broederschap. Het zelfstandig naamwoord Ṭarīqah is afgeleidt van het transitief werkwoord stam (I) Ṭa-ra-qa: kloppen op, tikken op, bonzen op, slaan op, hameren op. Het intransitief werkwoord stam (IV) Aṭ-ra-qa betekend: het hoofd buigen (in stilte). Het transitief werkwoord stam (V) Ṭar-ra-qa betekend: behandelen, ingaan op (onderwerp), doordringen tot. En een ander zelfstandig naamwoord hiervan afgeleid is Ṭarīq: baan, weg, manier, methode, werkwijze.

We hebben gelezen in dit artikel dat rond de 10de en 11de eeuw veel werd geschreven over het onderwerp Taṣawwuf om de wetenschap te verdedigen. De eerste die de Taṣawwuf formaliseerde (een vaste vorm gaf) als wetenschap was Imām Abū-l-Qāsim al-Junayd al-Baghḍādi (835-910 CE).

Tijdens mijn research opzoek naar de allereerste zogenaamde officiële Sunni Ṭarīqah lees ik hier en daar dat in deze periode al wat stromingen van Taṣawwuf met devoten zijn ontstaan, maar met weinig vaste structuur en erg inconsistent. Maar ook met verschillende tradities en overtuigingen die niet altijd in overeenstemming waren met de Sunni ‘Aqīdah. De Ṭarīqah’s werden vernoemd naar de naam van de stichter. Om maar even een paar op te noemen: Stromingen zoals de Malāmatiyyah’s uit Nishapur mogelijk gesticht door Ḥamdun al-Qassar (gest. 884 CE). De Karrāmiyyah’s gesticht door de Perzische Abū ‘Abd Allāh Muḥammad b. Karrām (gest. 896 CE). De Sālimiyyah’s gesticht door Muḥammad ibn Aḥmad ibn Sālim (gest. 909) en zijn zoon Aḥmad (gest. 967). Sommige gebruiken en overtuigingen van deze groepen werden door veel soennitische theologen als ketters verworpen en verdwenen uiteindelijk. Dan hebben we de Chistī’s gesticht in een klein stadje genaamd Chisht, in de buurt van Herat, Afghanistan rond 930 CE door Abū Isḥāq Shāmi (gest. 940 CE). Deze stroming werd later in 12de eeuw een Sunni Ṭarīqah die spirituele training doorgaf middels een ononderbroken keten (Silsilah) terug via al-Ḥasan al-Baṣrī en ‘Alī ibn Abī Ṭālib naar de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten. Maar dit was niet de eerste officiële Sunni Ṭarīqah waar ik naar het zoeken was. Voor zover chronologisch gezien waren dit allemaal stromingen zonder formele Shaykh-student-relatie zoals we die de dag vandaag kennen in de bekende Ṭarīqah’s. [bron: Wikipedia]

Pas vanaf de 12de eeuw werden de meest prominente Ṭarīqah’s gesticht die de dag van vandaag nog steeds bekend en actief zijn met hier en daar wat aftakkingen die daar uit zijn voortgekomen. Allemaal vernoemd naar de naam van een geleerde of regio waarin ze zijn gesticht:

‘Abd al-Qādir al-Jīlānī (gest. 1166 CE) was in die tijd een populaire Soefie-geleerde met een grote reputatie. Hij stond bekend om zijn vroomheid al vanaf zeer jonge leeftijd. In Baghḍād bij zijn lessen kwamen gemiddeld zo’n 1000 mensen op af en velen die bekeerde tijdens zijn lessen. Mensen van de overheid woonden zelfs zijn lessen bij en hij maakt geen onderscheid voor niemand en gaf geen voorkeur aan iemand – qua rang en status. Iedereen profiteerde van zijn wijze lessen. Hij dacht veel na over de staat van de Ummah en kwam tot de conclusie, dat als de mensen na de les weer terugkeerden naar hun dagelijkse beslommeringen – dat de spirituele invloed ook snel weer weg vaagde. Hij vond dat zijn lessen niet voldoende waren om de mensen op spiritueel niveau te behouden. Hij dacht na over een langetermijnoplossing. Een Madrasah (school) op locatie oprichten met dagelijkse lessen was geen optie voor iedereen. Niemand kon zo even zijn leven achter laten om zo zijn lessen in de vorm van seminars te volgen. Dit was trouwens ook niet eenvoudig te verwezenlijken, want je had op hoog niveau steun nodig van de overheid. De regering was nu ook niet zo religieus ingesteld om zoiets te promoten en gaven veelal aandacht aan het collecteren van belastingen en dergelijke. Het verhogen van spiritualiteit in de Ummah was niet hun prioriteit. Na lang nadenken hierover kwam hij op het idee studenten in zijn kring te selecteren en hun apart op te leiden en voor te bereiden om de spirituele boodschap op andere locatie te verkondigen. Om zo klaar te staan voor anderen. Hij riep zijn mensen bij elkaar en liet hen om vergeving vragen aan Allah en beloftes maken niet meer terug te keren naar zonden en slechte gewoontes. En de belofte om de daden van aanbidding te doen onderhouden. Hij liet ze een Bay’ah afleggen net zoals de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten – dat ook meerdere keren heeft gedaan bij zijn metgezellen. Dit waren destijds ook beloftes om geen Zinah (overspel), Shirk (afgoderij), roddel, iemand schade berokken, etc te maken. Zo werd er in de tijd van de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten – een Bay’ah afgelegd tijdens een Jihād en ook andere momenten dat hij de metgezellen een Bay’ah liet afleggen. Op deze manier ontstond er een verbond om samen te werken met een verantwoordelijkheid. En dit was het startpunt van een officiële Ṭarīqah met als kenmerk om een gelofte af te leggen. De Bay’ah werd afgelegd en dit zorgde voor een verbond tussen de student en de Shaykh opgevolgd met een spirituele training. De zogenaamde Shaykh-student-relatie. De kennis werd doorgegeven van persoon tot persoon middels een ononderbroken keten (Silsilah) terug naar de Profeet – moge Allah hem zegenen en groeten.

De spirituele training in een Ṭarīqah wordt doorgegeven op zo’n wijze dat het lijkt op een route, een pad (Ṭarīqah) dat je aflegt om stapje voor stapje steeds sterker te worden in de daden van aanbidding, en het verbeteren van het karakter met als einddoel: dichter bij Allah komen met het meest zuivere hart.

‘Abd al-Qādir al-Jīlānī was dus de stichter van de eerste formele Ṭarīqah genaamd de Qādiriyah Ṭarīqah (niet te verwarren met de Qādariyah als theologisch groepering). Pas na deze Ṭarīqah ontstonden meerdere Ṭuruq (meerv. van Ṭarīqah) die ook bekend werden. Ibn Taymiyyah noemt Shaykh ‘Abd al-Qādir al-Jīlānī: Sayyidunā (onze meester/leider) en had veel respect voor hem. Zo ook Ibn al-Qayyim en gelijke geleerden van die tijd. De Qādiri’s waren Ḥanbalī in Fiqh en Atharī in ‘Aqidah. Ondanks dat de harde kern van de Atharī-school tegen het concept Soefisme waren. Maar nadat Shaykh ‘Abd al-Qādir al-Jīlānī het concept zelf goed had begrepen, ging hij er toch voor om dit te verenigen met elkaar. Hij werd toen een van de grootste Soefie-geleerden van de wereld.

 Alle scholen als het gaat ‘Aqīdah, Fiqh en Taṣawwuf zijn ontstaan of gesticht – hoe je het ook wilt noemen – om fundamentele zaken van de Islam vast te leggen zodat de Koran en de Sunnah enerzijds kan worden gevolgd door de ‘Awwām (algemene moslim met beperkte kennis of toegang hiertoe) en anderzijds om de belangrijke Islamitische elementen vast te leggen zodat het niet verloren gaat. De drijfsfeer achter dit proces is niets meer dan pure liefde voor de Islam.

Als je goed nadenkt, dan is het ook niet vreemd dat we te maken hebben met drie soorten scholen als we de essentie van de welbekende Ḥadīth Jibrīl weer proberen te bevatten. “…dat het was Jibrīl die naar jullie toe kwam om jullie de religie te leren.” Waarbij drie pilaren worden behandeld: Islām, Īmān en Iḥsān. Deze Ḥadīth wordt ook wel genoemd: Umm al-Aḥādīth (de moeder/matrix van alle hadiths). Op basis van deze Ḥadīth hebben de ‘Ulamā` (geleerden) geconcludeerd dat de Dīn (religie) is opgebouwd uit drie pilaren.

[1] Islām die betrekking heeft op de Islamitische jurisprudentie (Fiqh). Dit is wat de zeven ledematen reguleert en waar Allah ons verantwoordelijk voor heeft gemaakt, namelijk: de ogen, oren, tong, buik, geslachtsdeel, handen en de voeten. Alle acties, handelingen en daden van een moslim worden uitgevoerd aan de hand van de geboden en verboden uit de Islamitische wetgeving (Sharī’ah), die weer geplaatst kunnen worden in de vijf wetsbepalingen: Farḍ/Wājib (verplicht), Mandūb/Sunnah/Mustahhab (aanbevolen), Makrūh (afkeurenswaardig), Ḥarām (verboden) en Ḥalāl/Mubāḥ (toegestaan).

[2] Īmān die betrekking heeft op Islamitische geloofsleer (‘Aqīdah) en hetgeen waar onze harten in dienen te geloven. Geloof in Allah en Zijn Sublieme Eigenschappen en Attributen, geloof in de Engelen, geloof in de geopenbaarde Boeken en Geschriften, geloof in de Profeten en Boodschappers, geloof in de Dag des Oordeels en het geloof in de voorbeschikking (van het lot).

[3] Iḥsān die betrekking heeft op de excellentie van daden en het waakzame bewustzijn (Taṣawwuf). Het waakzame bewustzijn van Allah onderhouden in alles wat je doet (Murāqabah) na het getuigen van hem (Mushāhadah) wordt verkregen middels spirituele discipline. Het is een spiritueel onderhoudsplan om alle daden puur te houden omwille van Allah. De onderwerpen van Iḥsān worden in een ander artikel nog uitgebreid behandeld.

Alle drie pilaren moeten in het juiste evenwicht zijn en ondersteunen elkaar. Zoals imām Mālik zei: “Hij die Taṣawwuf praktiseert zonder Islamitische jurisprudentie (Fiqh) te leren, corrumpeert zijn geloof. En als hij Islamitische jurisprudentie (Fiqh) leert zonder Taṣawwuf te beoefenen, dat hij dan zichzelf corrumpeert. Alleen hij die deze twee combineert, bewijst waar te zijn.” Imām ash-Shāfi’i zei: “Ik vergezelde de soefi’s gedurende tien jaar en profiteerde van hen twee uitspraken [en in een andere melding drie uitspraken]. Hun verklaring: dat tijd als een zwaard is: als je het niet snijdt, snijdt het jou en hun verklaring dat ontbering immuniteit is. “Hij heeft ook gezegd: Hun verklaring: als je ziel niet met de waarheid bezig is, dan zal het je bezig houden met valsheid (Bāṭil).” [bron: Shaykh ‘Abd al-Qadir ‘Isa, Realities of Sufism (Sunni Publications Rotterdam second edition 2013) page 371-372]

In het volgende artikel zal de meest bekende Ṭarīqah’s behandelen en hun specifieke kenmerken.

Tijdlijn sahabah, volgers, opvolgers en Sufi’s PDF

Bronnen:

  • Abū l-Qāsim l-Qushayri, Al-Qushayri’s Epistle on Sufism, translated by Professor Alexander D. Knysh (UK, Garnet Publishing Unlimited, The Center for Muslim Contribution to Civilization 2007)
  • Shaykh al-Islam al-Hajj Ibrāhīm b. ‘Abd-llah Niasse, The Removal of Confusion, translated by Zachary Wright (Fons Vitae 2010)
  • Shaykh ‘Abd al-Qadir ‘Isa, Realities of Sufism (Sunni Publications Rotterdam second edition 2013)
  • Shaykh Ali Laraki al-Husaini, The Practical Guidebook of Essential Islamic Sciences, a commentary on Ibn Ashir’s al-Murshid al-Mu’in (The Meem Institute, Publidisia, 2012)
  • Ahmed Akgündüz, Inleiding tot het Islamitisch Recht (IUR Press, Rotterdam 2011)
  • Nuh Ha Mim Keller, Sea Without Shore, A Manual of the Sufi Path (Sunnah Books Jordan, Amman – jaartal en editie onbekend)
  • Persoonlijke aantekeningen uit de les: Spirituality In Islam – Tasawwuf, Sufism and Tazkiyyah, door Shaykh Abdur-Rahman ibn Yusuf Mangera (Zamzam Academy)
  • Research via: Wikipedia

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s