Kenmerken van spirituele groei – Juz’ 2

‘Wa qālū kūnū hūdan aw naṣārā tahtadū…’ (“En zij zeiden: ‘Wees joden of christenen en jullie zullen geleid worden…’”). Vers 135 Sūrah al-Baqarah, de eerste Āyah bovenaan, rechterpagina van de voorlaatste Juz` 1 in mijn reeds versleten Muṣḥaf met groene kaft uit Medina, die ik in 1995 van mijn Ustādh cadeau kreeg. Deze pagina zit zo in mijn geheugen gegriefd vanuit memorisatie. Zo weet ik dat de volgende pagina aan de linkerkant het startpunt is van Juz` 2, de komende 20 pagina’s waar mijn reflectie over zal gaan. Het memoriseren van de eerste twee Ajzā` was voor mij een hele intensieve memorisatieperiode. Tijdens deze periode heb ik vele memorisatie-schema’s uitgeprobeerd en bij Juz` 2 nam de techniek van memoriseren eindelijk een vaste vorm aan. Dit gaf mij een enorme boost om vastbesloten de gehele Sūrah te memoriseren. Vele Āyāt die ik nu lees in deze Juz` brengen mij dan ook steeds terug naar die tijd, los van wat de Āyāt uiteindelijk betekenen. Maar allereerst, de bijzondere status en impact van Sūrah al-Baqarah, waar ik altijd bij probeer stil te staan als ik dit prachtige hoofdstuk weer reciteer.

De Profeet ﷺ zei: “Reciteer de Qur’ān, want op de Dag der Wederopstanding zal het komen als een bemiddelaar voor degenen die het reciteerden. Reciteer de Twee Heldere: Sūrah al-Baqarah (2) en Sūrah Āli ‘Imrān (3), want op de Dag der Wederopstanding zullen ze komen als twee wolken of twee schakeringen, of twee zwermen vogels in rijen, smekend om hen die deze reciteerden. Reciteer Sūrah al-Baqarah, want een bescherming nemen met deze Sūrah is een zegening en het opgeven van deze (Sūrah) is een oorzaak van verdriet, en de magiërs en goochelaars kunnen hier niet tegenop.” (Ṣaḥīḥ Muslim)

Toen de aardsengel Jibrīl de laatste Āyah van Sūrah al-Baqarah bracht naar de Profeet ﷺ werd hij vergezeld door het aantal engelen die niet meer te tellen waren. In de Musnad van Aḥmad bin Ḥanbal dat de Profeet ﷺ zei: “Al-Baqarah is de pilaar en de piek van de Qur’ān, en bij elk vers zijn tachtigduizend engelen mee neergedaald.” (al-Itqān fi ‘Ulūm al-Qur’ān – Imām as-Suyūṭī)

In deze reflectie zal ik slechts kort stilstaan bij een aantal Āyāt, want er zijn zeker zo’n 20-tal topics die behandeld worden in deze Juz`, die beter toegelicht kunnen worden vanuit de islamitische jurisprudentie. Maar de mooiste Āyah in deze Juz` is voor mij dan ook zonder twijfel Vers 152:

“Gedenk Mij daarom, en Ik zal jullie gedenken. En wees Mij dankbaar en wees Mij niet ondankbaar.”

Dat Allah ons gedenkt, betekent niets dan beloning. De grondbetekenis van het woord voor het ‘herinneren’ (Dhikr) is bewust zijn met het hart van wat er herinnerd wordt en om spiritueel te ontwaken. Dhikr met de tong wordt Dhikr genoemd, omdat het de herinnering van het hart aangeeft. Want wie de naam van Allah voortdurend vermeldt, wordt bij Hem vermeldt als een dienaar die geprezen wordt, van wie gehouden wordt, aan wie vergiffenis en een grote beloning wordt geschonken. In de Tafsīr van al-Qurṭubī is vermeld dat dit vers in feite betekent: “Gedenk Mij door Mij te gehoorzamen, en Ik zal jou gedenken met de beloning hiervoor en vergiffenis.”  

Terwijl ik deze Juz` verder lees kom ik onderweg nog vele markeringen tegen in mijn Muṣḥaf die ik met potlood heb gemaakt tijdens het memoriseren. Markeringen op posities waar ik soms moeite had met specifieke woorden of leestekens, omdat ik ze deed verwisselen met andere Āyāt uit andere hoofdstukken. Waar ik dan een fout maakte zette ik een cirkel om het woord of letterteken, als een reminder om die fout niet meer te maken. Elke keer weer als ik die markeringen zie in deze Juz` of elders in de Qur’ān, dan denk ik terug aan de Ḥadīth van de Profeet ﷺ overgeleverd door ‘Ā`isha – Allah is tevreden met haar – dat hij zei: “De expert (reciteur) van de Qur’ān is met de nobele Engelen. Degene die stottert tijdens het reciteren van de Qur’ān en het moeilijk vindt, krijgt een beloning in tweevoud.” (In een andere versie): “Degene die reciteert en er moeite mee heeft, krijgt een beloning in tweevoud.” (al-Bukhārī, Muslim, Abū Dāwūd, an-Nasā’i en Ibn Mājah)

Deze mooie woorden van onze geliefde Profeet ﷺ zouden ons ten alle tijden moeten stimuleren om de Qur’ān te blijven lezen, ongeacht of je er nu twee uur over doet om een Juz` te lezen of zelfs een hele week. Het maakt niet uit, blijf gewoon lezen, ook al lees je de tekst stotterend of stamelend. Zoek daarbij altijd naar mogelijkheden om je recitatie te blijven verbeteren of je kennis in de Arabisch taal te blijven versterken. Het lezen van Zijn Persoonlijke brief naar jou en de gehele mensheid wordt altijd beloond.

Als ik aankom bij Āyah 183, het Vers over de verplichting van het vasten –

“O jullie die geloven, het vasten is voor jullie voorgeschreven, zoals het voorgeschreven was aan degenen vóór jullie, opdat jullie Allah vrezen.”

– dan denk ik terug aan mijn allereerste deelname aan de Ramadan in 1995 vlak na mijn bekering, het begin van een compleet nieuw leven, wat ik altijd heb gezien als een startfase van rehabilitatie – de opvoeding van mijn ziel en het afkicken van de tijd daarvoor. Ik moet eerlijk zeggen dat ik deze therapie als zeer aangenaam ervaar en voorlopig nog niet ontslagen wil worden uit dit mooie spirituele hospitaal om Allah steeds beter te leren kennen en een diepgaande vriendschap te ontwikkelen met Hem, middels Zijn Nobele Qur’ān.

Ik lees de Qur’ān weliswaar niet alleen vanwege de betekenis, vele regelgevingen of vermaningen, maar voornamelijk omdat het de Woorden van Allah zijn, en daarbij ik helemaal opga in de linguïstiek en schoonheid van de Arabische taal.

Wat zeker is, dat deze Juz` o.a. datgene omvat wat mijn persoonlijke spirituele groei kenmerkt. En groeien doe je door te blijven leren middels veel vallen en opstaan, en overwegend door de Qur’ān een speciale plek te geven in je hart. 

Zakariya Bosmans

Dit artikel is oorspronkelijk geschreven voor Wijblijvenhier.nl, onderdeel van Stichting Wij Blijven Hier en is hieronder te lezen.

https://wijblijvenhier.nl/36993/kenmerken-van-spirituele-groei-juz2/ 

Iets komt altijd voort uit iets en uit niets helemaal niets

Een kind kan de vraag stellen: als ik uit mijn moeder kom, waar komt mijn moeder dan vandaan? Nou, uit oma natuurlijk. En oma dan? Uit overgrootmoeder uiteraard. Zo kan een kind verder blijven vragen. Het gesprek zal dan verder teruggaan in het verleden, totdat we bij het ontstaan van de eerste diersoorten uitkomen. Uiteindelijk kan het kind de vraag stellen naar de herkomst van de aarde zelf. En zo komen we uit bij het verhaal van de sterren en de planeten. Maar het heelal dan? Waar komt dat vandaan? Deze vraag zal hoe dan ook op enig moment bij het kind opkomen. God, zal de ene ouder antwoorden. Niets, zal een ander zeggen. Maar bij dat laatste antwoord zal menig kind toch de wenkbrauwen fronsen. Want alles wat het kent, komt uit iets voort en dan zou dat alles plotseling uit niets voortkomen?

Zo’n kind volgt een eenvoudige redenering, die echter nauwelijks is te weerleggen. Het gaat uit van bepaalde wetmatigheden dat het ziet in de wereld en redeneert van daaruit verder. En dit is een zogeheten kosmologisch godsargument.

Kosmologische godsargumenten voor het bestaan van God beginnen bij de structuur van de werkelijkheid. Daarvanuit beargumenteer je dan dat er een eerste oorzaak van de werkelijkheid moet zijn. Dat is iets wat zelf niet veroorzaakt is en (in)direct alles wat buiten zichzelf bestaat heeft veroorzaakt. Het is de uiteindelijke oorsprong van wat verder bestaat. Daarvan kan er maar één zijn.

Stel, dat er namelijk twee eerste oorzaken van de wereld zouden zijn, dan zou de een dus de (in)directe oorzaak van de ander zijn, en dat kan niet, want de definitie zei nu juist dat een eerste oorzaak zelf niet is veroorzaakt. Een goed argument voor het bestaan van een eerste oorzaak is dus meteen ook een argument voor het unieke karakter ervan. Een eerste oorzaak is de eerste oorzaak.

Vervolgens laat een kosmologisch argument zien dat deze eerste oorzaak geen levenloos ding is, maar een mentaal bewust wezen, zeg maar gerust God.

Het is een persoonlijk iemand, en in werkelijkheid uiteraard niet ‘iets’, maar iemand, Die alles heeft voortgebracht. Dat is een eenvoudige, maar redelijke definitie van God. Als een of ander kosmologisch argument werkt, dan laat dat inderdaad zien dat het alleszins redelijk is om te geloven dat God bestaat.

In 2009 werd voorlopig voor het laatst Domino Day gehouden, een recordpoging om zoveel mogelijk dominosteentjes te laten omvallen met slechts één beginpunt. Het werden er dat jaar 4.491.863, het wereldrecord. Domino Day is een illustratie bij de minst geavanceerde vorm van een kosmologisch godsargument: elk steentje wordt door een ander omgeduwd – maar zonder iemand die de steentjes in beweging brengt, zal er niets gaan rollen.

Deels geparafraseerd uit: ‘En dus bestaat God, de beste argumenten’ door Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder (2020 Buijten & Schipperheijn Motief, 3de druk), p. 30-31